<![CDATA[Sipco Poortinga - Blog]]>Fri, 04 Mar 2016 10:46:36 -0800Weebly<![CDATA[Het jongetje (3)]]>Fri, 04 Mar 2016 14:10:39 GMThttp://www.sipcopoortinga.nl/blog/het-jongetje-3Het bezoek vertrok en kwam even aan zijn bed staan om hem sterkte toe te wensen. Hij hoopte dat ze zijn tranen, die hij snel had weggeveegd, niet hadden gezien maar vlak nadat de vrouw en haar dochters in de gang waren verdwenen kwam er een zuster bij hem langs om te vragen hoe het ging. Ze was lief en ging op zijn bed zitten en pakte zijn beide handen. Het komt allemaal goed, zei ze, weet je wat we doen, jij gaat zo even douchen en je pyjama aantrekken en daarna laat ik je met je moeder bellen. Is dat een goed idee?

In de gang hing een toestel. Hij draaide een 0 en werd daarna doorverbonden en kreeg zijn moeder aan de lijn. Zijn stem raakte verstikt door de tranen en hij kon geen woord uitbrengen. Zijn moeder schrok van zijn toestand en  begon ook te huilen. Ze vertelde dat het haar speet dat ze niet bij hem was, dat ze stom was geweest en dat het haar begrootte. Hoe kon ik zo stom zijn, herhaalde ze nog een aantal keer. We houden van je, we houden van je, vergeet dat niet. Af en toe vielen er stiltes, zijn lippen trilden van emotie, hij wilde smeken dat ze hem op kwamen halen, vertelde dat hij bang was en dat hij zich zo raar en akelig voelde. Langzaam maar zeker maakte de volkomen ontreddering zich meester over het jongetje, zijn kleine, magere lijf schokte van verdriet, nog nooit was er in de geborgenheid van zijn opvoeding zo’n bedreiging geweest, nog nooit had hij zich zo verlaten gevoeld, bevonden zijn beide ouders zich ook fysiek op een onoverbrugbare afstand terwijl er een orkaan van negatieve, donkere gedachten raasde door zijn hoofd dat alles afschuwelijk maakte, alsof hij naakt was, onbeschermd stond op een ijzige, winderige vlakte waar roofdieren met gemene, rode ogen op een afstand klaarstonden, wachtend om hem te bespringen en uiteen te scheuren. Hij werd zo meegesleept door zijn duistere gedachten dat hij niet meer hoorde wat zijn moeder zei,  radeloos met zijn voorhoofd leunde tegen de muur, en nauwelijks voelde dat er iemand een hand op zijn schouder legde. Een zuster schudde hem licht heen en weer, niet bot, maar alsof ze hem langzaam wilde wekken uit een diepe slaap. Wat een verdriet, wat een verdriet, zei ze. Kop op. Zo erg is het allemaal niet. Ze was door haar knieën gezakt om hem goed in zijn ogen te kunnen kijken en droogde zijn tranen. ‘ Ik haal een glaasje water voor je’, zei ze.’ Beloof je mij dat je dapper afscheid zult nemen?’ Hij keek in haar knappe gezicht. Ze had lachende, vriendelijke ogen, lang donker haar en hij kalmeerde direct. Hij knikte, stond zijn moeder te woord, hoorde wat ze zei, en nam afscheid nadat de zuster met het drankje was teruggekeerd en ook nog even de hoorn overnam.

‘We zullen hem een beetje extra in de gaten houden’, zei ze lachend, en knipoogde naar het jongetje dat het kleine glaasje in een teug leegdronk .De zuster pakte hem bij zijn hand en bracht hem naar de zaal. Zijn paniekaanval was gezakt. De jonge vrouw zei dat ze een slaappil voor hem ging halen en dat hij ook een zetpil zou krijgen. Nadat deze waren toegediend sloot ze de gordijnen van de zaal, deed het licht op de nachtstand en wenste hem welterusten. Hij las nog even maar al gauw voelde hij zich sloom worden, legde het boek op kastje en gleed weg in een droomloze slaap.

Midden in de nacht werd hij wakker met het idee dat hij iets verkeerd had gedaan. Zijn hoofd voelde zwaar en het duurde een poosje voordat hij zich realiseerde waar hij was en wat er vandaag stond te gebeuren. Hij kon niet meer slapen en staarde een tijdlang naar het plafond. Buiten begonnen de eerste vogels aarzelend te fluiten en langzaam werd het licht. Hij stond op, poetste zijn tanden bij de wasbak, waste zijn gezicht en hoorde geroezemoes op de gang. De mensen op de zalen werden gewekt, er werd ontbijt rondgebracht en terwijl zijn kamergenoot zijn ochtendkoffie dronk kwamen er twee zusters binnen, sloten de gordijnen rond zijn bed en begonnen met de voorbereidingen voor de operatie. De vrouwen werkten geroutineerd, snel; en zakelijk en nadat ze hem een donkerblauw hesje hadden aangetrokken en eenzelfde kleur laken over zijn geslacht  hadden gelegd pakte er een een grote spuit, groter dan hij ooit had gezien, van de rijtafel. Het jongetje schrok van de dikke, plastic 20 centimeter lange buis en de lange naald. Diegene die de spuit had gepakt merkte op dat dit even pijn kon doen, ontsmette de plaats op zijn bovenbeen waar de inhoud binnen gespoten moest worden terwijl haar collega zijn hand vastpakte en zei dat hij zo hard als hij kon mocht knijpen. De vloeistof gleed tergend langzaam zijn bloedbaan binnen, het prikkelde als aluminium op een zenuw, en hij beet op zijn tanden en sloot zijn ogen om niet te hoeven zien hoeveel van de substantie er nog over was. Even had hij nog de helderheid om te vragen of hij lege omhulsel mocht hebben maar daarna voelde hij een golf van misselijkheid door zijn lichaam trekken, werd wazig, kreeg een droge mond, kokhalsde, klapperde met zijn tanden en in een tijdsbestek van enkele minuten voelde hij zich zieker dan hij zich ooit had gevoeld.
‘ Dit is even heel onaangenaam’, zei de zuster die zijn hand vast hield, maar eventjes doorbijten, het ergste heb je al gehad.’
Nadat de meest extreme onpasselijkheid voorbij was bleef de wazigheid, alsof hij een andere dimensie binnen trad. Ruimte en tijd leken te vervagen en voordat hij er erg in had reden ze hem in zijn bed door de gang van de ziekenhuisvleugel naar de lift. De omstandigheden leken zich nu als in een droom te wijzigen, voor een moment lag hij in een koele ruimte, voelde dat hij overgeheveld werd naar een ander smaller bed, naar een andere ruimte, waar iedereen groene kleding droeg, mondkapjes voorhad en felle lichten hem beschenen.
‘Hoor je mij?’, vroeg een vaag bekend gezicht dat voor hem zweefde.
Hij knikte. 
'We gaan je nu verdoven. Je krijgt dit kapje op je neus en dan mag je tot tien tellen.’
Weer knikte hij. Hij zag iets wat leek op het rose rubber van een afvoerontstopper naar zich toekomen en telde een, twee, drie waarna hij verdween in het niets.         






]]>
<![CDATA[Het jongetje (2)]]>Wed, 17 Feb 2016 13:43:37 GMThttp://www.sipcopoortinga.nl/blog/het-jongetje-2Het jongetje pakte zijn sporttas en stopte zijn meegebrachte spulletjes in het smalle, verrijdbare ladenkastje. Alleen een paar badslippers en een boek, een pocket uit de Bob Evers-serie, ‘Hoog spel in Hong Kong’, hield hij achter. Hij deed zijn schoenen uit, kroop op het bed, en probeerde wat te lezen in afwachting van de dingen die stonden te gebeuren. Na een paar minuten kwam de zuster de zaal inlopen. Ze lachte, begroette hem met zijn voornaam, schoof een kaart in een houder aan het voeteneinde, kwam daarna naast het bed staan,  en gespte een plastic bandje om zijn pols terwijl ze ondertussen vragen over koetjes en kalfjes stelde waarmee de ze de jongen op zijn gemak wist te stellen.´We hebben nog een hoop te doen samen´, zei ze.´Ik blijf de hele middag bij je. We gaan je bloed prikken, wat foto´s en een hartfilmpje maken, en ik ga je voorstellen aan allemaal leuke mensen die jouw de komende dagen in de watten gaan leggen. Vind je dat goed?´
Hij knikte.
´Maar eerst ga ik je bloeddruk meten en je temperatuur opnemen.´
De zuster sloot de gordijnen rond het bed en plaatste een zwarte band om zijn arm. Deze pompte ze op tot hij het bloed in zijn ader voelde kloppen, bracht de druk weer terug, en vroeg hem daarna om op zijn linkerzij te komen liggen en zijn broek een stukje te laten zakken. Daarna sloeg ze de thermometer af en stak het instrument tussen zijn billen.
´Trek je benen maar iets op en blijf even rustig liggen. Ik ben zo weer terug.´


De verdere plichtplegingen ter voorbereiding op op operatie van morgen duurden tor vier uur in de middag waarna de zuster de jongen weer terug bracht naar zijn kamer. Ze nam afscheid van hem en vroeg hem op de zaal te blijven omdat straks de dokter naar hem zou komen kijken. In het bed tegenover hem lag nu een man die veel ouder leek dan zijn vader maar jonger dan zijn opa. Hij lag in een streepjespyjama boven de dekens en had dopjes in zijn oren waarvan het draad verbonden was aan de muur naast zijn bed. Nadat de zuster was vertrokken deed hij de dopjes uit en vroeg het jongetje of hij geopereerd moest worden.
‘ Morgen’, antwoordde hij, ’ om negen uur.’
'Oh, en hoe oud ben jij?’
‘ Elf. Ik ben vorige week elf jaar geworden.'
‘ Zo jong’, zei de man peinzend.’ En word je aan je hart geholpen?’
De jongen knikte terwijl hij naar de ingang van de zaal keek waar een groepje van mannen in witte jassen het vertrek betrad en al pratend naar zijn bed toe liep. Duidelijk de oudste, een man met een wijkende haargrens, een beetje grijs aan de slapen en een brilletje met een rond montuur op zijn neus,  stelde zich voor als zijn chirurg en vertelde dat hij een aantal artsen in opleiding had meegenomen en of ze even naar hem mochten kijken. Ze luisterden allemaal naar zijn hart en spraken in medische taal en termen over zijn afwijking met de professor. Na een minuut of tien namen ze afscheid waarop de chirurg het jongetje nogmaals de hand schudde, joviaal deed, en hem vertelde dat hij de boel morgen ging repareren en dat hij over een paar weken weer kon voetballen.
‘Ben je zenuwachtig?'
Het jongetje had nu een brok in zijn keel en kon maar nauwelijks antwoord geven.
‘Nergens voor nodig. Je bent hier in goede handen. We gaan je weer helemaal beter maken. Tot morgen.’
'Tot morgen’, fluisterde hij.


Een poosje gebeurde er niets. De man tegenover hem was verdiept in een boek en ook het jongetje had zijn pocket met de avonturen van Arie Roos, Bob Evers en Jan Prins weer opgepakt. Op de gang klonk gelach en het gerinkel van glazen op een kar. Het was etenstijd en twee vrouwelijke verpleegkundigen  kwamen de kamer in en vroegen hem hoeveel boterhammen hij wilde, wat voor beleg en wat hij wilde drinken. Nadat ze het dienblad weer hadden meegenomen verzochten ze hem opnieuw om op bed te blijven omdat de narcotiseur kennis zou komen maken en een aantal dingen met hem zou doornemen. De narcotiseur. Het jongetje huiverde bij het woord. Dat was de dokter die hem de verdoving zou toedienen. Hij vond het een akelig idee dat deze hem helemaal weg zou maken. Wanneer ze mij dat geven, zo dacht hij, dan kom ik misschien wel helemaal nooit meer terug. Nerveus lette hij nu op de deur en schrok van de persoon die, een beetje gehaast, zo leek het, naar zijn bed toeliep. Hij kreeg een koude hand van een plompe, vormloze vrouw met wallen onder haar ogen. Ze droeg het haar haar kort, als een monnik, dacht hij. Slecht op zijn gemak  durfde het jongetje de de anesthesiste nauwelijks aan te kijken en wat de droomarts zei drong nauwelijks tot hem door. Het enige wat hij zich later nog wist te herinneren was dat hij die avond ‘iets’ zou krijgen om rustig te kunnen slapen.
Er was bezoek binnen gekomen voor zijn overbuurman. Zijn vrouw en twee dochters waren opgelaten omdat, zo bleek uit hun gesprekken, de man morgen werd ontslagen. Af en toe keken ze zijn kant op en hij voelde zich ongemakkelijk omdat er niemand bij hem was. Zijn ouders waren rond het middaguur vertrokken en hij zou ze pas morgen, na de operatie, weer zien. Dat speet hem nu. Hij maakte zichzelf verwijten dat hij niet aangedrongen had dat zijn ouders de dag in Leiden zouden doorbrengen zodat ze elkaar de avond voor de grote dag nog even konden zien om hem te steunen en gerust te stellen. Maar ja, zijn vader was druk op de zaak en zijn moeder moest ‘s avonds voor het eten zorgen voor zijn andere vier broertjes. Zelf had hij ook gedacht dat het allemaal wel mee zou vallen, hij had al vaker in het ziekenhuis gelegen, maar nu leek alles helemaal anders en drongen de signalen van de ernst van de situatie tot diep in hem door. Zijn gedachten gingen terug naar gisteravond, bijna 24 uur geleden. Zijn oom, een ouderling in de kerk, had zijn opwachting in zijn slaapkamer gemaakt en wilde met hem bidden. Het was een zalvend optreden en waren de intenties van de man al goed geweest, waaraan hij, nu ook weer, twijfelde, de uitwerking was desastreus en hadden angst in hem gezaaid. Wie vertrouwt op de Heer, zo had hij het jongetje uitgelegd, komt in de hemel. Hij had braaf geknikt maar vond zijn oom eigenlijk maar een aansteller. Het jongetje huilde nu stilletjes. Dat verhaal en gebed van zijn oom kon maar een ding werkelijk betekenen en dat was deze er rekening mee hield dat het slecht met hem kon aflopen. Hij huiverde.         


   

 
]]>
<![CDATA[Het jongetje]]>Wed, 03 Feb 2016 18:58:40 GMThttp://www.sipcopoortinga.nl/blog/de-doodHet jongetje zat op de achterbank van de auto. Het was eindelijk zover. Hij had geen idee wat hem te wachten stond, maar besefte dat er geen weg terug meer was. De eerste paar kilometer leek alles nog heel gewoon. Zijn ouders hadden nog wat gepraat, de omgeving was vertrouwd, maar nu zijn vader en moeder al een tijd lang zwegen, het verkeer drukker en de wegen breder werden kreeg hij plotseling het beklemmende gevoel dat hij helemaal alleen was. Ze reden nu langs een groot meer, het was gaan regenen, en het jongetje tuurde naar de grijze wolken en het onstuimige, troebele water en prentte wat hij zag, en dacht, in zijn geheugen, alsof het samenvloeien van het beeld, en wat er omging in zijn hoofd, voor altijd onlosmakelijk met elkaar verbonden moest blijven. Daarna werd zijn blik onscherp omdat hij zich een vaak terugkerende, vervelende droom herinnerde die ruw zijn slaap was binnen gedrongen nadat het gezin op familiebezoek, een paar maanden geleden, van de ene polder naar de andere, over een enorme brug, was gereden en het leek alsof ze de zee hadden doorkliefd. De droom dook sinds die reis keer en keer weer op en kende verschillende versies maar altijd was er angst, angst voor oneindig water,voor grote hoogte en voor die gruwelijke paniek dat alles zomaar ineens op kon houden en in en donker, kolkend niets kon verdwijnen.

Zijn gedachte leek geconcentreerd in een druppel op het raam maar nu zag hij de ene na de andere dikke spetter naar beneden glijden en hoorde ook weer de banden van de auto die hoorbaar moeite hadden om door de plotselinge wolkbreuk te rollen. De jongen keek even op naar zijn vader die kort in de binnenspiegel keek, waarbij hun blikken kruisten. Zijn ogen stonden dof, vermoeid en verdrietig. De jongen schrok. Door het toevallige oogcontact zag hij zijn de zorgen nadrukkelijk in die van zijn vader weerspiegeld en hij wist heel goed dat de droefheid die hij had gezien hem betrof en dat zijn vaders luchtigheid, gisteren, en de afgelopen dagen, slechts gespeeld was geweest. Zijn moeder was een open boek, ze wist zich geen raad met de situatie en haalde ook nu weer zenuwachtig  haar handen door het dikke, stugge haar. De vader frommelde in de zak van zijn kostuumjasje en peuterde een sigaret uit het pakje Caballero, stak deze in een mondhoek, drukte de knop van de dashboardaansteker in, om deze, na een paar seconden, tegen de filterloze sigaret te duwen die al zijn snel prikkelende geur begon te verspreidden. De vader blies de eerste rook uit en zei daarna dat het niet ver meer was en dat ze over een half uur bij het ziekenhuis zouden zijn. Hij deed nog even de radio aan waarop het geluid van de afgemeten stem van minister-president Den Uyl te horen was, mompelde wat, en draaide de knop daarna weer terug naar de uitstand.
Zijn hart bonsde wild. Hij voelde het nadrukkelijk kloppen in de holte waar zijn sleutelbenen samen kwamen. Het hart, zo hadden de doktoren gezegd, dat niet in orde was en waaraan hij geopereerd moest worden. Morgen al. Het was snel gegaan allemaal. In een paar weken. Eerst de schoolarts die een ruis had ontdekt, daarna opname en onderzoek in ziekenhuis Salem, en vervolgens een dagje naar de VU in Amsterdam waar die vriendelijke kinderdokter, met zijn halflange grijze haar, al na een paar uur de diagnose had gesteld. Die was ernstig en er was sprake geweest dat hij in Houston, via een hartpatiëntenluchtbrug,  geholpen zou worden.
Het jongetje had het allemaal wel spannend gevonden, de aandacht prettig maar nu ze het immense terrein van het Leidse Academisch Ziekenhuis opreden moest hij bijna overgeven van de spanning en wilde het liefst terug naar huis, naar zijn hut, om zich daar voor iedereen te verstoppen. Ergens in de verte vroeg zijn vader waar ze precies moesten zijn en hoorde hij zijn moeder het antwoord oplezen. Thorax, zei ze, gebouw 40. Thorax, thorax, thorax, het vreemde woord spookte door zijn hoofd. Ze reden nog eventjes door waarna de vader de Simca 1100 parkeerde. De jongen verbeet zijn tranen, pakte zelf zijn tas uit de hatchback, en wandelde daarna, geflankeerd door zijn ouders, naar de ingang van het hospitaal. 


Op zaal zeven stonden vier bedden, waarvan er maar een leek te zijn bezet. De vriendelijke zuster legde van alles uit aan zijn vader en zijn moeder maar hij was er.met zijn gedachten niet bij, zijn hoofd  leek wel volgestopt met watten, en de jongen voelde afkeer, wilde schreeuwen dat ze hem hier niet toch achter konden laten, dat het niet eerlijk was, maar tegelijkertijd wist hij dat het zinloos zou zijn om zich te verzetten. Ik moet sterk zijn, dacht hij, het advies dat bijna iedereen hem de laatste tijd had gegeven moest hij nu in de praktijk zien te brengen. Ook voor zijn ouders. Dit kon de de laatste keer zijn dat ze elkaar zagen, want dat de operatie die hem te wachtten stond zijn dood kon worden werd hem akelig duidelijk hier op deze verpleegafdeling. Aan de ene kant had hij zin om slap te zijn, nog even moeilijk te gaan doen, maar hij wist, en voelde, en zag, dat het zijn ouders ook de grootste mogelijk moeite kostte om niet emotioneel te worden en dat het dan zou eindigen dat ze hier met zijn drieën een potje zouden gaan janken. ‘U kunt morgen om elf uur bellen. Dan laat ik jullie nu alleen, en zie jou straks’, zei de verpleegster, en streek de de jongen daarna door zijn haren. Zijn moeder ging op zijn bed zitten, klemde hem tussen haar benen, en omhelsde hem. Tranen blonken in haar ogen. Zijn vader stond bij het raam, keek even naar buiten, daarna naar zijn schoenen, voelde in zijn zakken, en zei, dat het tijd werd om te gaan. De jongen liep naar zijn vader, sloeg zijn armen om diens middel, waarna deze hem optilde en een zoen op zijn voorhoofd gaf.  ‘Alles komt goed. Je bent sterk, ik weet het zeker. Morgen zien we je weer’. Bij de openstaande deur zwaaiden ze nog een keer en daarna zag hij zijn ouders door de hoge ramen van de kamer de gang inlopen.       

  
 
]]>
<![CDATA[po√ętisch proza]]>Fri, 22 Jan 2016 18:07:19 GMThttp://www.sipcopoortinga.nl/blog/poetisch-prozaHarderwijk

De provinciestad. Waar Rimbaud nog door de straten schuimde. Nu ik op afstand leef, besef ik hoeveel ik om haar geef. Vergeten de dagen van verwarring en verstarring. De passie voor de tijd die hier zo leeft. Vergeten de gruwel van de degelijkheid die aan de doordeweekse dagen kleeft. Vergeten, nu de winkels, fabrieken en kantoren zijn gesloten. Nu moeten de demonen van de saaiheid worden verzopen. Spuit de tap ononderbroken zijn sappen, trekken de mensen verse flappen, slempen verbroederend vocht, willen nu verdoving in de tocht, weten niets, willen niets weten, werken en drinken om te vergeten. Dat ademtochten spaarzaam zijn. De Dood, de Dood, de Dood. Ongrijpbaar, onzichtbaar. Einde refrein. De ziel vervlogen, gesloten ogen. Adem, adem, besef ik adem. Vervloek de leugen, drink met grote teugen, rook met diepe halen. Want, besef mijn vriend, wat je niet ziet en niet begrijpt, zal iedereen stilletjes komen halen. De leugen. De leugen vervliegt zo snel.



Amsterdam, 1996  


]]>
<![CDATA[Cowboy Henk]]>Tue, 12 Jan 2016 15:14:23 GMThttp://www.sipcopoortinga.nl/blog/cowboy-henkCowboy Henk


Cowboy Henk was in de jaren tachtig en negentig een cultfiguur in Harderwijk. Hij droeg meestal blauwe jeans, laarzen, een bruine western jas met franjes en een cowboyhoed. Hij had een verweerd gezicht met een grote, onverzorgde snor die dezelfde nicotine-achtige kleur had als zijn halflange haar. Hij was het prototype macho, deed iets in de autosloop en reed een grote Amerikaan die goed paste bij zijn uiterlijk en imago. Dat hij de bijnaam Cowboy  Henk had gekregen was dan ook niet zo verwonderlijk en had waarschijnlijk ook te maken met de absurde Vlaamse strip van Herr Seele en Kamagurka, die in die tijd nogal populair was. Ik wist vrij weinig van hem, sprak hem nooit, maar we kwamen wel in dezelfde kroegen in de binnenstad.
Ik had Cowboy Henk al geruime tijd niet gezien, wat me pas opviel toen een kroegmaat vertelde dat hij kampte met een depressie, onder behandeling was, en dat psychiaters hadden geconstateerd dat hij leed aan een groot gevoel van onbehagen over zijn geslacht. Ik kon niet geloven dat we het hier hadden over dezelfde persoon maar de geruchten waren hardnekkig en steeds vaker hoorde je nu dat Henk zich zou laten verbouwen en dat hij vandaag of morgen zomaar ergens als vrouw zou kunnen opduiken. Alleen het idee al leek onvoorstelbaar: van zo’n oerlelijke man proberen een vrouw te maken was vragen om problemen, een moderne versie van de creatie van het monster van Frankenstein.
Het was curieus maar maakte nieuwgierig. Nu het inmiddels rondzong dat de transformatie van Cowboy Henk naar Freya voltooid was rees de vraag of zij zich ook in het café zou laten zien. Het fenomeen was al gesignaleerd in de winkelstraten waar het zorgde voor consternatie en hilariteit waarbij mensen bleven staan en achterom keken om te controleren of ze nu wel echt hadden waargenomen wat ze hadden gezien terwijl Freya op hoge hakken en in een kort rokje flaneerde of ze the new hottest thing in town was.
Een paar weken later was het raak: op een vrijdagavond kwam de ex-cowboy de kroeg binnen, waar ik haar op de hoek van de bar in de gaten kreeg. Ze bestelde witte wijn en ik schrok zo bij het zien van het mannelijke maar nadrukkelijke, opgemaakte gezicht dat ik mij ongemerkt, acuut misselijk, en in lichte toestand van shock, zo snel mogelijk uit de voeten maakte.


]]>
<![CDATA[De truc]]>Tue, 05 Jan 2016 13:34:06 GMThttp://www.sipcopoortinga.nl/blog/de-truc 


Vanaf het bordes van een statig gebouw kijken mijn vriendin en ik neer op de bedrijvigheid van een openlucht bazaar. Ik moet lachen om de verkoopptechniek van een jonge schoenverkoper die, om de aandacht te trekken, twee zolen van schoenen hard tegen elkaar laat kletsen en daarbij, voor mij, onverstaanbare kreten slaakt. Naast hem staat een man van rond de dertig. Hij is veel te dik voor zijn leeftijd en draagt een witte blouse over zijn grijze pantalon om zijn buik te verbergen. Hij maakt zich los uit de menigte en wandelt langs de trappen, waar hij zijn pas inhoudt om te vragen waar wij vandaan komen. ‘Hollande’, zeg ik.
Hij schudt mij de hand.
“Istanbul gut?’, vraagt hij.
‘Tot nu toe wel’, antwoord ik hem, en probeer uit te leggen dat mijn vriendin en ik pas de afgelopen nacht zijn aangekomen.

‘Ah’, zeg hij, zonder te begrijpen.
‘Limonade?’.
Zonder het antwoord af te wachten laat hij met een korte knip van zijn vingers een verkoper bij zich komen. We stemmen in en proeven van de mierzoete limonade, die een man met een prachtige, grote snor, vooroverbuigend, uit een enorme thermosfles die op zijn rug bungelt, in een glas giet.
‘Gut?’, vraagt de vriendelijke man, terwijl hij de straatverkoper een paar biljetten in zijn hand drukt.
‘Gut’, antwoord ik.


De Turk praat gedreven en enthousiast. Ik begrijp nauwelijks iets van wat hij zegt, maar vind het allemaal wel amusant. Tijdens de spraakverwarring biedt hij ons een sigaret aan. Die smaakt slecht en plotseling bedenk ik mij dat we een zakflesje, tax-free cognac bij ons hebben. Een borrel die we wel verdiend hebben na een nacht zonder slaap en een paar uur vruchteloos wachten op onze bagage op de luchthaven. Ik draai de schroefdop van het flesje, neem een slok, en biedt ook hem het drankje aan. M. weigert. Ze lijkt op haar hoede. Ze reageert gereserveerd wanneer de Turk ons uitnodigt om de een of andere bezienswaardigheid in de stad te gaan bekijken. Ik heb wel zin in actie probeer haar te overtuigen om mee te gaan.
‘Hoe vaak is het op deze manier niet goed gegaan?’
‘Ja, en hoe vaak..?'


In een licht gehavende stationwagen banen we ons even later door het stadsverkeer. We volgen de boulevard langs de Bosporus en volgen het spoor van een jaren ’50 treintje. Na enkele stationnetjes te zijn gepasseerd slaan we een met grote stenen geplaveide weg in. De route loopt omhoog door een park. Andere auto’s rijden er niet en de Turk rijdt af en toe toeterend slalommend door de menigte. Bij een terras stoppen we. Het uitzicht over de rivier is werkelijk fenomenaal. Onze gids hijst zich in een stoel en bestelt thee.
‘Superb, superb”, zegt hij theatraal, terwijl hij met zijn rechterhand een weids gebaar maakt.

Op een onhandige manier stellen we ons aan elkaar voor, waarna een merkwaardige stilte valt.  Mehmed lijkt wat onrustig  en na een paar koppen thee te hebben gedronken rekent hij af. Hij gaat ons voor naar zijn auto en rijdt langzaam verder omhoog. Ditmaal stoppen we voor een museum. De entreeprijs is voor plaatselijke begrippen behoorlijk hoog maar wordt zonder commentaar betaald. Binnen is het prachtig. Sarcofagen, beeldhouwerken en schilderijen. Mehmed heeft echter nergens oog en draaft overal in hoog tempo langs. Ik wil meer tijd om de kunst- en gebruiksvoorwerpen te bewonderen en probeer dat Mehmed duidelijk te maken. De Turk lijkt alleen maar te willen opschieten en spoort ons vooral aan mee te komen. Quasi nonchalant stapt hij door het museum met een air alsof al deze voorwerpen zijn persoonlijk eigendom zijn en hij ze dagelijks ziet.
M. en ik beginnen ons een beetje te ergeren en overleggen wat we gaan doen. We besluiten  om hem de entreeprijs terug te betalen en daarna afscheid te nemen. Om tijd te winnen en moed te verzamelen gaan we eerst even naar het toilet maar buiten de wc’s staat Mehmed alweer te wachten. Wanneer ik het kleine bedrag voor het gebruik van het toilet wil afrekenen gebaart hij al te hebben betaald. Kom mee. Kom mee. Het gaat allemaal zo snel dat ik het lef niet kan vinden te weigeren. Weer stappen we in zijn auto. Gaan we misschien naar de overblijfselen van de verdedigingsmuur die ik in het reisgidsje heb zien zien staan? Nee, Mehmed heeft andere plannen. We dalen af naar de stad. Rijdend door smalle, smerige straatjes vol handkarren, fruitkraampjes, schoenenpoetsers, handeltjes met duizend en een voorwerpen en op straat theedrinkende mensen overvalt me het gevoel van de blanke man in een vreemde Arabische wereld. De situatie waarin we terecht zijn gekomen fascineert me. Het is de adrenaline en de opwinding of je die onbekende kan vertrouwen. Soms wel, soms. Maar met alleen maar wantrouwen en risico uitsluiten kan je net zo goed thuis op de bank blijven zitten.

Mehmed prikt zijn auto in een gaatje en stapt uit zonder wat te zeggen. Het pand waar we naar binnen lopen is smerig. Het wordt gebruikt om op een ambachtelijke manier schoenen te maken. Overal zijn mannen druk doende met het snijden, knippen en aan elkaar naaien van leer. In een klein kamerte met een aluminium aanrecht krijgen we drabkoffie aangeboden. Mehmed is hier meer in zijn element en stelt ons aan iedereen voor die nieuwsgierig in het koffiehok komt kijken. Na een paar kopjes te hebben gedronken lopen we naar een etage hoger. Dit is het kantoor van Mehmed. Een schemerig vertrek met slechts een raam. er staat een bureau, een paar stoelen, een koelkast en een ladder die leidt naar een zoldertje.

Mehmed neemt plaats achter het bureau. Hij wijst op een paar foto’s van zijn familie, die, tesamen met een foto van de Turkse president, zijn favoriete voetbalclub Besiktas en wat vreemde munten, waaronder enkele Nederlandse, onder een glasplaat liggen. De Turk trekt er een gezicht bij alsof we hier te maken hebben met een dure collectie sieraden. Ik speel het spel mee en wijs verbazing voorwendend op de Nederlandse munten.
‘Hollande. Superbe. Van Basten. Rijkaard. Goellit. The best.
'
Ik knik maar wat. Mehmed heeft nu een pose aangenomen die hij waarschijnlijk heeft afgekeken van een Turkse soap. Als een directeur leunt hij achterover in zijn grote fauteuil en wijst op de telefoon.
‘Telefon. You?'


Dat komt me eigenlijk wel goed uit. Ik moet nog bellen met het vliegveld of onze bagage al is aangekomen. Ik vraag Mehmed of hij voor mij wil bellen en geeft hem de benodigde gegevens. Hij vraagt het juiste nummer en en belt. Onze bagage arriveert met de eerste vlucht uit Amsterdam. Tenminste, dat is wat ik er van begrijp. M. en ik overleggen wanneer Mehmed met handen en voeten duidelijk maakt dat hij straks meegaat om de rugzakken op te halen.
’ Prima toch’, doe ik opgewonden tegen mijn vriendin.
Weer die blik.
‘Ik weet niet of ik dat wel wil. Ze kijken zo raar naar me. Toen ik net naar de w.c. ging streek hij met zijn hand door mijn haar.'
'Echt waar.’?
“Geloof me. Ik wil dat je constant in mijn buurt blijft.'
‘ OK’.


Mehmed bemerkt de twijfeling en gebaart ons joviaal om mee te komen naar het zoldertje. Hij neemt plaats op een klein stoeltje, pakt een schoen van een grote hoop, duwt er een blokje in met de vorm van een hiel  en begint met een houten hamer de vorm van het schoeisel te vervolmaken. Daarna ramt hij met speels gemak kleine spijkertjes door de zool, ondertussen op mijn schoenen wijzend. Echte schoenen, maakt hij, zo probeert hij duidelijk te maken. Vervolgens gebaart hij dat ik achter me moet kijken. Er staat een bed achter in de hoek. Willen we daar misschien gebruik van maken? Hij lacht breed uit. Zijn ogen schitteren. Ik doe alsof ik de dubbelzinnigheid niet begrijp, maak een afwerend gebaar, en daal de ladder weer af. Bij het raam kijk ik naar de straattaferelen beneden. Een mierenhoop. Ook M. komt naar beneden. We praten wat samen totdat de Turk zijn werkzaamheden staakt. Eenmaal beneden biedt hij ons een koud biertje uit de koelkast aan. Het niet-slapen en alle drukte en opwinding heeft mijn adem lichtelijk ijl gemaak. Geen beter moment voor een biertje dan juist nu. Het gekoelde bier smaakt heerlijk en ook de sigaretten beginnen nu echt te smaken. Plotseling gaat de deur open. Een goed verzorgde vijftiger met pretoogjes betreedt de ruimte. Hij schudt iedereen de hand en nestelt zich ook rondom het bureau.
‘Ah. Hollande. Goellit, Van Basten. Ja. Ja.,’

Hij wijst op een poster aan de muur. Besiktas. De uitwerking van de alcohol is perfect. Ik praat geanimeerd mee over voetbal. Er komt nog een restje raki op tafel waarna Mehmed een loopjongen naar boven roept om ook wat eten te halen. Mehmed pakt zijn portefeuille maar ik ben hem voor en geef de jongen een biljet van 100.000 TL (ongeveer 20 euro). Ondertussen drinken we behoorlijk door. Ik begin al behoorlijk aangeschoten te worden. De Turken ook.
Na een kwartiertje komt de loopjongen terug met meer bier en een grote, ingepakte kip. Het bureau is ondertussen vrijgemaakt. Uien, paprika en tomaten worden gesneden en we vallen aan. Ik schrans en besef dat ik nog nooit zulke lekkere kip heb gegeten. Het vlees is vers, heerlijk gekruid, en met de hompen brood erbij is het een bourgondische maaltijd. De drank en het eten maken we vrolijk maar dat Mehmed en zijn bezoeker nu over seks willen praten stoort me behoorlijk. En M. al helemaal. Ze vraagt me haar bij een bezoek aan het toilet te vergezellen en verwijt me niets in de gaten te hebben.
‘Telkens proberen ze me aan te raken.’

Ze voelt zich totaal niet meer op haar gemak, zo laat ze blijken.
Terug in de schemerige kantoorruimte zijn de beide Turken nog steeds niet van plan om het onderwerp te laten rusten. De vriend van Mehmed staat op en pakt M. haar hand. Hij maakt duidelijk dat hij haar aantrekkelijk vindt en dat zijn geen trouwring draagt. De sfeer slaat nu om.  Teveel alcohol in het spel. Deze gesoigneerde, grijze krullebol heeft in hoog tempo mijn cognac naar binnen gewerkt en is overmoedig geworden. Zijn pretoogjes hebben plaats gemaakt voor een harde, agressieve blik. Ik schrik een beetje van hem en kijk daarna naar de schoenmaker. Die is veranderd in een dierlijk wezen. Hij blijft maar door eten en smakt luid terwijl hij af en toe zijn handen aan zijn witte hemd afveegt.Tijd om op te stappen maar om mijn opmerking dat het de hoogste tijd is om een pension te gaan zoeken wordt hatelijk gelachen. M. kijkt nu angstig. De man met het grijze haar staat op en begint nerveus heen en weer te drentelen. Mehmed pakt een pen en schrijft iets op de vette papierverpakking van de kip. Hij scheurt er een stuk af en schuift het me toe.
500.000 TL.

De rekening.

Ik ontplof.

‘Fuck off. Asshole’, schreeuw ik.

‘Betaal het maar. Betaal het maar’, roept M. ‘Straks doen ze ons nog wat ‘

‘Ik betaal niets aan dit stelletje oplichters. Die vetzak is gek geworden. Kom we gaan.’

Ik pak mijn vriendin bij haar hand en loop naar de deuropening. Daarna vluchten we, als in een flard van een koortsige droom, hand in hand de trap af naar buiten


1993


]]>
<![CDATA[River]]>Thu, 24 Dec 2015 15:16:59 GMThttp://www.sipcopoortinga.nl/blog/riverIk kan River nog makkelijk in mijn herinnering terug roepen. Begin twintig, half-lang vlassig blond haar, ongeveer een meter tachtig, vriendelijke, serieuze oogopslag. De jonge Duitser kleedde zich als een jonge hippiegoeroe en was met zijn merkwaardige, rustige uitstraling de spil van een groep niet uitzonderlijk knappe, maar wel erg sexy, levenslustige meiden, die wekelijks dansten op de trance-feesten die her en der in Hamburg werden gehouden. De parties in de Noordduitse stad waren zo anders dan dat ik in Nederland gewend was, dat ik, na een eerste kennismaking, zo vaak ik maar kon, weer afreisde om mij onder te dompelen in een weekend vol hedonisme.  
Het eerste feest wat ik bezocht, en waar ik ook River leerde kennen, vond plaats in februari 1993, in het ronde restaurant bovenin de televisietoren van Hamburg. Ik was uitgenodigd door de organisator, een vriend van een vriend, om langs te komen om te helpen bij de opbouw van een feest dat twee weken zou gaan duren. Wat er zich die dagen afspeelde in de Fernsehturm, zo concludeerde ik, was een poging om het gebouw om te toveren tot een zinsbegoochelende tempel ter ere van een viering van de krankzinnigheid.
Tijdens de hoogmis, in de zaterdagnacht, word ik zo high als ik zelden ben geweest. Iedereen heeft MDMA geslikt wat zorgt voor een zeldzame sfeer van verbroedering, vooral onder de mensen die hebben geholpen het feest op te tuigen. Later in de nacht bekruipt me, na de uitwerking van de drugs,  het gevoel of ik in een psychiatrische kliniek ben beland waar patienten de medicijnkast hebben geplunderd, nadat ze het verplegend personeel hebben opgesloten. Sommige mensen lopen verward, en anderen in verrukking rond.
Tegen het ochtendgloren zit ik, een beetje overdonderd van alle indrukken, mijn absurde gedachten van de MDMA-trip te overdenken. Dan voel ik een hand op mijn rechterschouder..Het is River. We hebben elkaar de afgelopen dagen wel gezien, maar nog niet eerder met elkaar gesproken. Hij stelt zich voor, vraagt hoe ik me voel, en wat ik van het feest vind. Ik zeg dat het mijn eerste Duitse trance-feest is en vertel hem dat ik een paar uur eerder een bijna religieuze fantasie had alsof deze nacht een magisch ritueel is waarbij afgevaardigden van allerlei stammen naar Hamburg zijn gestuurd om hier aanwezig te zijn. River kijkt me begrijpend aan en knikt.
‘Er is fantastische MDMA in omloop. Ik heb een hoop mensen in tijden niet zo extatisch gezien.’
We kletsen nog wat totdat zijn vriendinnetje hem in het oog krijgt en hem meetroont naar de dansvloer.
‘Wir sehen uns.’


Een paar weken later zien we elkaar inderdaad weer. Ik heb op het feest een Koerdische  kunstenaar, Shahin, leren kennen, die me heeft uitgenodigd om hem eens in zijn atelier aan de Wendenstrasse te bezoeken. Hij woont in een gigantisch kraakpand, een oud pakhuis, waar nu in het weekend, in de kelder, de feesten - van vrijdagavond tot maandagochtend - worden gehouden. Ik omhels River vrijdagsnacht’s op de dansvloer en we spreken elkaar de volgende ochtend wanneer we ons koesteren in de warme voorjaarszon, die binnenvalt door de enorme openstaande silodeuren. Ook hij woont, samen met zijn vriendin en een paar anderen, inmiddels in het enorme complex.
‘Kom je bij ons wonen, Sipco?’, vraagt hij, en staat plotseling op.
‘Kom, ik laat je wat zien.’
We verlaten het atelier, dat volhangt met tapijtuitsnedes die Schahin heeft beschilderd, en gaan de brede trappen op naar boven. Overal wilde graffiti in de portalen maar de ruimtes die River mij helemaal bovenin laat zien zijn verrassend netjes en ordentelijk; fabrieksruimtes die zijn opgedeeld in eenvoudige appartementen opgetrokken uit grote blokken wit kalksteen van 75 bij 75 centimeter. River legt uit dat het hele pand, zeven verdiepingen, op de nominatie staat om gesloopt te worden en dat iedereen is vertrokken. Behalve Shahin. Die is gebleven. Hij weigert om te vertrekken waardoor de afbraak is vertraagd. En nu zal het niet lang meer duren voordat krakers de ruimtes zullen innemen.
‘He highlander, blijf toch in Hamburg’, zegt hij, wanneer we de trap weer afdalen.   


Op de derde verdieping opent hij een masssieve groene deur en we betreden een enorme ruimte. Rustige ambientmuziek, de geur van nag champa, overal gedempt licht, blacklight decoratie, kaarsen in wijnflessen, schilderijen, foto’s  en houtskoolschetsen aan de muur, een altaar, potten verf, een dj-set installatie, bakken platen, her en der matrassen, kussens, een hemelbed getimmerd van afvalhout met een groen muskietennet, een grote eettafel met acht stoelen, een zitje met ouwe fauteuils en een houten scheepskist als tafel. River gespt zijn heuptasje af, pakt een pakje grote vloei, een zak weed en een rond paars doosje en legt het op tafel. Daarna loopt  hij naar de geïmproviseerde keuken om een fles bronwater en twee glazen te halen en peutert vervolgens twee pilletjes uit het doosje, waarvan hij er een aan mij geeft.
‘Herinner je nog die xtc van de Fernsehturm?’ Ik knik.
‘Die waren lekker.’
‘Dit zijn dezelfde.’
‘Poeh. Sterk.’
Hij lacht.
‘Klavertje vier.’

‘Ken je de boeken van Carlos Casteneda’?, vraagt River mij plotseling, nadat hij een eerste, diepe hijs van zijn joint heeft genomen.
‘Ik heb er wel een aantal gelezen.’
'Wat vind je ervan?’
‘Spannend. Mysterieus. Beetje gevaarlijk ook.’
‘Gevaarlijk? Hoe bedoel je?’
‘Kennis en macht.’
River kijkt me vragend aan.
‘Wat is daarmee?’
‘Dat boek waarin Casteneda op de laatste pagina de afgrond inspringt.’
‘De sprong naar het onbekende.’
‘Zelfmoord', zeg ik.
‘Dat ligt er aan hoe je het bekijkt.’
Plotseling gaat de deur open en eindigt ons gesprek. Melody, zijn vriendinnetje, komt binnen, springerig en vrolijk.
‘Mein Schatz, ik heb je gemist, ik wil met je dansen. Kom ‘


In de kelder is de sfeer aan het einde van de ochtend nog steeds geladen met een bezeten gekte van de gedrogeerde aanwezigen. Geen veiliger plek om dansend af te dalen in het onderbewustzijn dan hier. River gaat diep, zie ik. heel diep. Ook ik ben tijdelijk weer verlost van de demonen in mijn denken. Voor een paar uur bevrijd van de last van het bestaan. Na afloop van het weekend besluit ik te blijven. Ik kraak een ruimte op de bovenste verdieping, leen een matras van Melody en River, vind ergens een tafel en een stoel, een lamp en heb bovendien een wasbak met stromend water. Ik ben graag bij Schahin, wiens eigenwijze kunstenaarschap ik bewonder, en help Melody en River met het maken van nieuwe decoraties voor de parties.  Ook maak ik samen met River een paar schilderijen die op een bepaalde manier een afspiegeling zijn van de gesprekken die we voeren. De Duitser is geobsedeerd door de werking van hallucinogene middelen op de geest, de invloed daarvan op bewustzijn en tijd, en lijkt op een tovenaarsleerling die een serieuze studie van magie maakt. Angst lijkt hij niet te kennen.

Ik wel. Ik ben niet vies van een beetje drugs op zijn tijd maar dat de LSD die die het huis overspoelt, en die geslikt wordt als snoepjes, slachtoffers gaat maken, lijkt slechts een kwestie van tijd. Het leven in het pakhuis begint gaandeweg steeds meer op een commune te lijken en ik merk dat ik daar uiteindelijk, op de lange duur, ongeschikt voor ben. Het loopt naar de zomer en de Wendenstrasse wordt een echte hype voor freaky Hamburg. Op zonnige dagen wordt er nu ook op het dak gefeest dag in, dag uit trippende mensen die al dan niet in hun blote kont dansen op de trance muziek, die me, langzaam maar zeker, mijn oren uitkomt. Ik kan nergens meer rust vinden, vind dat het hippiegebeuren sektarische trekjes begint te krijgen, heb genoeg van alle drugs en wil weer naar Nederland. Ik heb zin in bossen, heide, strand, zee en wind.
River´s ogen lichten op nadat ik hem van mijn plannen heb verteld.
'Wij gaan mee´, zegt hij, ´Melody en ik zijn nog nooit aan de Nederlandse kust geweest. We brengen je weg. We wilden sowieso al een paar dagen de stad uit.’
Halsoverdekop vertrekken we in hun witte eend  naar Nederland, waar we aan begin van de avond aankomen op een rustig gedeelte van het strand, ergens in de buurt van Den Haag. Melody is al dagen onder invloed en ondergaat het uitstapje als een uitgelaten kind, dat zich over alles verbaasd en vol enthousiasme alle nieuwe indrukken opzuigt. Ook River is in zijn element. We hebben eten, drinken en slaapzakken meegenomen en blijven de hele nacht aan het strand. Ik voel me enigszins overbodig in het het gezelschap van het dolgelukkige tweetal en vertel de volgende morgen dat ik de trein naar huis pak.
‘Blijf nog een paar dagen’’, zeg ik, ‘het doet jullie zichtbaar goed. Bedankt voor de lift.’  
Ze knikken.
‘We houden van je. Kom gauw weer naar Hamburg.’
We omhelzen elkaar, waarna ik mijn rugzak aan een schouder hang en het strand afwandel. Bij de opgang naar de duinen zwaaien we nog een keer.

Het is de laatste keer dat ik River en Melody heb gezien. Pas een paar maanden later, met oud en nieuw,  ben ik weer in Hamburg. Op een dansfeest, op een nieuwe kraaklocatie waar een deel van de trancescene nu is neergestreken ontmoet ik Hartmut. Een van de eerste dingen die ik hem vraag is of hij River en Melody heeft gezien. Zijn gezicht betrekt.
‘Heb je het niet gehoord?'
'Wat?’ ‘River is dood. Zeven hoog van het dak gesprongen. Freitod. Na zijn begrafenis is Melody spoorloos verdwenen.’  








  .  













     

]]>
<![CDATA[Before Google (BG)]]>Fri, 04 Dec 2015 18:55:37 GMThttp://www.sipcopoortinga.nl/blog/before-google-bgDe veroordeelde kat


Siem-Jan woonde in een kleine kamer aan de voorkant van een pand aan de Israélstraat, een zijstraat weggestoken tussen de Harderwijkse winkelpromenade en het Kerkplein. Hij was een lange, slungelige Noordhollander met een pafferig gezicht die na een in Libanon vervulde dienstplicht bij Unifil in Libanon, een studie Nederlands in Groningen en een reis door India was neergestreken in Harderwijk, waar hij een baan in de administratie van een grote fabrikant in systeemplafonds had betrokken.
Dit verhaal is een bekentenis, want samen met hem heb ik ooit een gruweldaad gepleegd. Misschien was het anders gelopen wanneer we al Google hadden gehad maar dat is praten achteraf. Het verhaal ging zo: Ik leerde Siem-Jan kennen in een van de plaatselijke kroegen. Het was nou niet zo dat de Harderwijkse binnenstad halverwege de jaren tachtig de sfeer ademde van toen Rimbaud er nog door de straten schuimde, maar je kon er alle dagen door de week laat in de avond naar een café gaan waar je altijd wel een bekende tegenkwam om mee te kletsen en te drinken. Zoals Siem-Jan.
Na verloop van tijd nodigde Siem-Jan met uit om een keer bij hem thuis te komen eten wat uiteindelijk resulteerde in een jarenlange vriendschap waarbij ik hem wekelijks op dinsdagavond bezocht in zijn rommelige kamer. Daar stond alleen een hoge kast, een eenvoudige installatie, een kale lage tafel, een afgeleefde fauteuil en een gemakkelijk zittend, bruinstoffen bankstel. Slapen deed Siem altijd in de keuken op een stretcher die hij uitklapte tussen de lege flessen, de vuilnisbak, het aanrecht, en, na verloop van tijd, een kattenbak.
Siem had een kat in huis genomen. Een klein, zwart beestje. Het kreeg te eten en te drinken maar genoot weinig bewegingsvrijheid. Wanneer Siem-Jan naar zijn werk ging sloot hij het dier op in de kamer en wanneer hij terugkeerde snakte de kat naar beweging en glipte meestal de deur uit om door het huis te rennen. Het werd dan onmiddellijk door zijn baasje opgehaald en bij terugkomst nogal onhandig en met enige tegenzin geaaid.
De kat, van wie ik de naam vergeten ben, was niet bestand tegen dit gevangenisleven en raakte met de week gefrusteerder. Nadat het poesje krols werd begon het symptomen van ernstige leipheid te vertonen, waarbij ik niet durf uit te sluiten dat ook het inademen van de thc-dampen hebben bijgedragen aan die toestand. Geil werd dat beest. Geil. Niet te geloven. Erger dan de zwaarste nymfomane slettebak van de stad. Overdag zat ze de hele dag in het raam, kreunend en miauwend,  te loeren naar een kater. Wanneer Siem-Jan weer thuis kwam dan zat het beestje soms letterlijk in de gordijnen. Of het maakte reuzensprongen van de kast naar de stoel en omgekeerd. Het was echt een fenomeen. Soms als ik binnenkwam bespiedde het beest mij minutenlang met haar pikzwarte ogen. Meestal ging ze daarna op haar rug liggen om te kermen om een beurt .Op zulke momenten haalde ik haar wel eens aan maar was daar mee gestopt nadat het onvoorspelbare beest, met haar scherpe klauwen, een flinke schram op mijn gezicht had gezet. Ik 
was nu uitermate op mijn hoede. ‘Die poes van jouw is gek geworden Siem’, zei ik terwijl we zaten te eten en de kat op de twee meter hoge kast zat in een houding van een roofdier die op het punt staat zijn prooi te bespringen. 
'Dit gaat niet goed.’ 
Siem-Jan beaamde het.
‘Maar wat kan ik doen. Moet ik het laten afmaken'?
‘Je had het wat vaker naar buiten moeten laten gaan.’
‘Misschien is het daar nu wat te laat voor. Dan krijg ik schadeclaims.’, lachte hij.


Hij wilde het nog een poosje aanzien maar de toestand van de kat werd slechter en slechter.
‘Volgens mij heeft het een hekel aan vrouwen. Van de week heeft ze mijn buurvrouw aangevallen. Het meisje schreeuwde van de schrik en durft hier nauwelijks meer te komen.
‘ Jezus, dat kán niet Siem.’
‘Nee, je hebt gelijk. Laura was hier laatst blijven slapen en die kutkat was gewoon jaloers. Brieste haar als een volkomen gestoorde toe.’
Ik schudde mijn hoofd. Had het dier een hekel aan vrouwen? Dit was echt te gek. We filosofeerden over het lot van de kat. Moest het dood? Als het zo doorgaat, ja, dan moet het dood. Een spuitje laten geven? Te duur. Dan moeten we zelf onze verantwoording nemen.
‘Maar ik wil het niet alleen doen’, zei Siem-Jan. ‘Wil je me helpen?
Ik zuchtte.
‘Laten we over hoe en wat nog even nadenken.’
Een week later belde ik om een uur of zeven bij Siem-Jan aan. Met een filtersigaret in zijn hand opende hij de deur en stak zijn hand op.
‘Kom binnen. Ik moet even de kat zoeken.’


Het duurde een paar minuten voordat hij terug was, wat me de tijd gaf om eens goed om me heen te kijken. Op diverse plekken in de kamer was het behang vernield en ook het meubilair had hevig te lijden gehad onder de capriolen van de kat. Spartelend in zijn armen bracht hij het doorgedraaide beestje terug; Siem-Jan had er weer een paar fikse schrammen op zijn handen bij. We hadden het verder niet meer over de kat, schonken nog wat wijn in en kletsen. Ons gesprek werd onderbroken door de deurbel. Iemand om de meterstand op te nemen. De man kwam binnen en liep naar de meterkast bij het raam. Geheel onverwacht schoot de kat vanaf de kast bij de meteropnemer op zijn nek. Een sprong van ongeveer vier meter. De man sloeg de kat van hem af en nam de aanval rustig op.
‘Dat beest is gestoord’, zei hij, schreef de stand op, groette ons en verdween.
Die kat haat niet alleen vrouwen, dacht ik droog. Ik keek Siem-Jan aan. Die schudde met zijn  hoofd.
‘Dat beest moet weg.'


In het uur dat volgde op de aanval van de kat spraken we het doodvonnis uit en gingen nog diezelfde avond over tot excecutie. Siem-Jan had een stuk touw gevonden dat hij in de keuken om het nekje van het beestje bond. Ik stond laf om de hoek in de kamer. Ik had ingestemd om mee te doen mits ik met mijn ogen het stervensproces van de kat niet hoefde te volgen. Siem-Jan overhandige mij een einde van het touw en beiden begonnen we de strop vast te trekken. In de kamer hing een doodse stilte die na een poosje vanuit de keuken werd onderbroken.
‘Ah.., aahh,... aaahhh…., kreunde Siem-Jan alsof hij met een halfstijve pik een orgasme beleefde. ‘Zij piste nog even, schokte met zijn lijfje en ging dood.’ Ik stopte met het uitoefenen van kracht op het touw en liep de keuken in. Het dier lag slapjes op een krant. Siem-Jan stond er een moment verslagen bij te kijken maar pakte daarna het kadaver van zijn huisdier en stopte het in een vuilniszak.




     
    

]]>
<![CDATA[russisch roulette]]>Mon, 23 Nov 2015 14:13:14 GMThttp://www.sipcopoortinga.nl/blog/russisch-rouletteWillem H. is bij mij in de straat komen wonen. Hij heeft een groot huis laten bouwen voor hem en zijn gezin. Ik ken Willem van de middelbare school. We zaten bij elkaar in de klas en hielden ervan om de leraren te provoceren. Vooral Kalkman van Frans. 1978. 10 cc op een. Ik herinner me nog goed dat we, ieder in een gangpad, het arrogante loopje uit de videoclip van Dreadlock Holiday imiteerden terwijl Kalkman maar kwader en kwader werd en uiteindelijk schreeuwde dat we moesten gaan zitten.
Na het behalen van het diploma zag ik Willem vrijwel nooit meer. Wel zong er altijd een wild verhaal rond dat hij aanwezig zou zijn geweest bij het spelen van een rondje russische roulette, op een kamer achter café De Roskam, waar Daan, een soort Ermelose rebel without a cause, zich door het hoofd had geschoten. Het verhaal obsedeert me al jaren en laatst kwam ik Willem weer eens tegen en besloot om hem ernaar te vragen.
‘Het was geen russische roulette’, zei hij. ‘Ik kwam terug van de wc. Daan zat op de bank met een pistool in zijn hand, hield het tegen zijn hoofd, en drukte af.’




]]>
<![CDATA[Smitje (2)]]>Mon, 02 Nov 2015 13:07:19 GMThttp://www.sipcopoortinga.nl/blog/smitje-2kort verhaal, vervolg

(deel een gepost op 22/10/15)


Terug in Nederland zagen Peter en ik elkaar steeds minder. Ik kreeg andere vrienden in Harderwijk, mijn smaak werd alternatiever,  en ik ging niet meer naar dezelfde discotheken als vroeger. We zagen elkaar nog af en toe op straat in de stad en ik had de indruk dat hij tegenwoordig dag en nacht stoned was. Zijn haar droeg hij nu op zijn schouders en hij leek in weinig meer op het vrolijke joch van een paar jaar geleden. Op een zomerse middag, een paar maanden later,  liep ik door de door de Bruggestraat. Peter had mij van een afstand zien lopen en spurte naar mij toe om in mijn armen te vliegen. Ik zag pas op het laatste moment dat hij het was en verbaasde me een over zijn wilde, uitgelaten stemming.

‘Ik heb het ontdekt’, schreeuwde hij, ‘ik heb het ontdekt.
Ik lachte.
‘Wat bedoel je?
‘De drank. De drank. Ik drink nu ook!  
Ik frunnikte een beetje aan mijn kin en wist niet of ik daar nou zo blij mee moest zijn. Smitje, mijn kleine broertje, drie uur ‘s middags. Straalbezopen.
‘Weet je nog in Parijs’, ging hij door, hijgend en zwaar ademend. ‘met Claude?’
Ik knikte.
‘Ik begrijp het nu’.  jubelde hij. ‘Ik begrijp het nu ook.
Ik moest weer lachen.
‘Hoezo Jij vond alcohol toch altijd smerig?
Nu niet meer, Sipco. Nu niet meer’,
Hij klonk alsof hij het licht had gezien  
‘Vieux-cola. Vieux-cola, man. Lekker zoet! Nu snap ik waarom jij en Claude zo vrolijk waren.’

Smitje aan de drank. In de maanden daarna zag ik hem nog regelmatig. Hij was nog steeds altijd stoned. Maar nu ook altijd dronken. Bij onze laatste ontmoeting kwam hij weer springend en lallend, als een jonge, speelse hond naar me toe rennen nadat hij me gespot had in een ouwe, oranje Opel Ascona,  die ik een paar dagen  eerder had gekocht.
‘Vette, grote bak, man. Verrot scheuren dat ouwe ding. Verrot, Ha, ha, klootzak. Ik hou van je’, zei hij, waarna hij terugslenterde naar een groepje vrienden die met flessen sterke drank en waterpijpen in het park zaten.     .    
Aan het begin van de avond hoorde ik een massa sirenes. Ik herinner me nog dat ik het geluid zo vreemd en snerpend in contrast met die mooie voorjaarsavond vond staan. Ik reed de stad uit naar Ermelo om bij mijn ouders te gaan eten. Mijn vader zat in de tuin en gaf me een klap op mijn schouders.
‘Zo zwerver. Blij je te zien. Ik hoorde daar straks die sirenes en kreeg er een vreemd gevoel bij’
Rond een uur of tien reed ik weer terug naar Harderwijjk. Ik parkeerde mijn auto en wandelde naar mijn kamer in het pand van Van de Brink. Dick hing, met een biertje in zijn hand en een sigaret in zijn mond, uit het raam
‘Heb je het al gehoord?’
‘Wat?’’, vroeg ik geschrokken. Aan zijn houding en toon zag ik dat er serieus iets mis was.
“Smitje is dood’.
‘Waat?? Godverdomme, nee..’
Ik rende naar boven waar Dick mij vertelde wat er was gebeurd. Peter had met vrienden in het park gedronken en geblowd. Een vriend van hem was daar langsgekomen op een opgevoerde brommer. Peter wilde een ritje maken en had de brommer geclaimd. Zonder helm was hij het park uitgescheurd, de Westeinde op  In de flauwe bocht op het fietspad was hij ten val gekomen. Met zijn hoofd tegen een boom. Op slag dood.
Van de uren nadat ik het trieste nieuws had gehoord weet ik mij weinig meer te herinneren. Er staat met nog iets bij dat we in Utrecht zijn geweest en dat we daarna de polder zijn ingereden. De volgende morgen werd ik wakker, op een parkeerplaats langs het water langs de dijk naar Elburg, zittend tegen de linkervoorband van mijn auto. Schor geschreeuwd, met een blikje bier nog in mijn hand. Smitje. Dood. Verrot.

]]>